Voetbal



Doel van het spel

Balspel beoefend in wedstrijden tussen twee elftallen, elk bestaande uit een doelverdediger en tien veldspelers. Het spel wordt gespeeld met een ronde bal (omtrek 68-71 cm; gewicht 396-453 g), die men in het doel van de tegenpartij moet trachten te schieten of koppen. De bal mag niet opzettelijk met de arm of de hand worden aangeraakt; behalve door de doelverdediger binnen zijn strafschopgebied. De bal wordt doorgaans gespeeld met de voet, vaak ook met het hoofd (kopbal). Winnaar van de wedstrijd is het team dat de meeste doelpunten maakt. Een doelpunt is gemaakt als de bal geheel en al de doellijn (lijn tussen de doelpalen) is gepasseerd.

Doel

Speelveld

Doelpalen en doellat vormen tezamen het doel. De doelen bevinden zich op het midden van de korte zijden van het rechthoekige speelveld. Bij beide doelen bevindt zich een doelgebied, begrensd door twee lijnen, loodrecht op de doellijn en deze snijdend op een afstand van 5 m van elke doelpaal; deze lijnen zijn 5 m lang en aan de uiteinden verbonden door een lijn evenwijdig aan de doellijn.

Verder bevindt zich op beide helften van het veld een strafschopgebied, begrensd door twee lijnen, loodrecht op de doellijn en deze snijdend op een afstand van 16 m van elke doelpaal; deze lijnen zijn 16 m lang en aan de uiteinden verbonden door een lijn evenwijdig aan de doellijn. Op 11 m afstand van elk doel bevindt zich, tegenover het midden van het doel, een penaltystip (officieel: strafschoppunt). Met dit punt als middelpunt is buiten het strafschopgebied een cirkelboog getrokken met een straal van 9,15 m (Engelse maat: 10 yards). Op de hoeken van het speelveld staan vlaggenstokken, die ten minste 1y m boven de grond moeten uitsteken. Met elk hoekpunt als middelpunt is een kwartcirkel getrokken met een straal van 90 cm, waardoor het hoekschopgebied wordt gevormd. Verder zijn er de middenlijn en de middencirkel.

Voetbalveld
Het voetbalveld is 90-120 m lang en 45-90 m breed en moet eerder een rechthoekige dan vierkante vorm hebben. Het doel is 7,32 m breed en de bovenlat ligt op 2,44 m.


Speelduur

De duur van het spel is 90 minuten, verdeeld in twee helften van 45 minuten. Gedurende de wedstrijd is de vervanging van drie spelers en een keeper toegestaan. In gewone competitiewedstrijden wordt een overwinning gewaardeerd met drie wedstrijdpunten, een gelijkspel met een punt voor beide ploegen, een nederlaag met nul punten. Soms wordt bij gelijk eindigen qua wedstrijdpunten waarde gehecht aan het doelsaldo of het aantal gescoorde doelpunten.



Arbitrage

De leiding van de wedstrijd is in handen van een scheidsrechter. Die wordt bijgestaan door twee grensrechters en een official die (mede) toeziet op zaken die zich buiten het speelveld afspelen, zoals het ordelijk verlopen van het invullen van reservespelers. Deze wordt wel de vierde scheidsrechter genoemd. De scheidsrechter moet de spelregels handhaven en dienovereenkomstig straffen opleggen. Hij kan spelers het verder meespelen ontzeggen (door middel van een 'rode kaart') indien zij zich ernstig misdragen of indien hun spel ruw of gemeen is. Verder kan hij de spelers voor allerlei vergrijpen, die men onder de betiteling onbehoorlijk gedrag samenvat, door middel van een 'gele kaart' een waarschuwing geven en ze bij een nieuw vergrijp dat een waarschuwing nodig zou maken, van het veld sturen.



Buitenspelregel

De grensrechters zorgen ervoor dat de buitenspel regel wordt gehandhaafd.
Een speler staat in buitenspel positie als deze zich dichter bij de doellijn van de tegenstander bevindt dan de bal en de vóórlaatste tegenstander (inclusief de doelman). Dit geldt niet wanneer de speler zich op zijn eigen speelveldhelft bevindt.

Buitenspel Buitenspelpositie. De blauwe speler links van de stippellijn staat buitenspel op het moment dat de bal door zijn medespeler wordt gespeeld

De twee laatste verdedigers kunnen zowel een verdediger en de doelman of twee gewone verdedigers zijn. Een verdediger telt ook mee als hij zich achter de doellijn bevindt. Als de speler zich op dezelfde hoogte als de voorlaatste verdediger bevindt (of met de twee verdedigers tegelijkertijd) staat hij niet in buitenspelpositie. Een speler staat ook niet buitenspel als hij zich achter de bal begeeft, bij het moment van spelen van de bal.

In buitenspelpositie staan is niet tegen de regels. Het kan pas strafbaar zijn als een medespeler de bal naar deze speler speelt op het moment dat deze speler in buitenspelpositie staat. Een speler wordt alleen voor zijn buitenspelpositie bestraft,indien hij op het moment dat de bal wordt geraakt of gespeeld door een medespeler, naar het oordeel van de scheidsrechter, actief bij het spel betrokken is door:
  • in te grijpen in het spel, of
  • een tegenstander in diens spel te beïnvloeden, of
  • voordeel te trekken uit zijn buitenspelpositie


  • Een speler wordt niet voor zijn buitenspelpositie bestraft indien hij de bal rechtstreeks ontvangt uit een:
  • doelschop
  • inworp
  • hoekschop
  • Ook wordt hij niet bestraft als hij de bal van een tegenstander ontvangt.


  • Indien een speler strafbaar in buitenspelpositie staat wordt gesproken van buitenspel. Buitenspel is een overtreding, en leidt tot een indirecte vrije schop voor de tegenstander.



    Verboden

    Scheidsrechter

    Verboden is een tegenstander te trappen of dit te proberen, een tegenstander te doen vallen, het springen op een tegenstander, het op ruwe of gevaarlijke wijze aanvallen van een tegenstander, het aanvallen van achteren, het slaan van een tegenstander, het vasthouden met hand of arm van een tegenstander, het duwen met hand of arm, het met de hand of arm spelen van de bal.



    Straffen

    Al deze negen overtredingen worden - echter alleen als ze opzettelijk gebeuren - bestraft met een directe vrije schop, dat is een vrije schop waaruit rechtstreeks kan worden gescoord en waarbij de tegenstanders ten minste 9,15 m afstand moeten nemen van de bal.
    Gebeuren deze overtredingen binnen het strafschopgebied door spelers van de verdedigende partij, dan wordt een strafschop (penalty) toegekend: een schop vanaf de penaltystip, waarbij alle veldspelers buiten het strafschopgebied en op ten minste 9,15 m afstand van de penalty-stip moeten blijven. Het nemen van strafschoppen, door beide teams, geschiedt bij bepaalde wedstrijden (vooral bekerwedstrijden) na afloop van de gewone speelduur en eventuele verlenging, teneinde een beslissing te forceren.



    Overtredingen

    Verder zijn er overtredingen waarvoor een indirecte vrije schop wordt gegeven, een vrije schop waaruit niet rechtstreeks kan worden gescoord.
    Zulke overtredingen zijn:
    buitenspel, gevaarlijk spel, aanvallen met de schouder, indien de bal zich niet bevindt binnen het bereik van de betrokken spelers, aanvallen van de doelverdediger binnen zijn doelgebied zonder dat hij de bal bezit, het dragen van de bal door de doelverdediger als hij daarbij te veel passen met de bal doet, het met de hand spelen van de bal door de doelverdediger als hij deze via de voet van een medespeler heeft ongvangen en afhouden (obstructie), dwz. het versperren van de weg aan een tegenstander zonder dat deze de intentie had de bal te spelen.



    Hoekschop, inworp

    Een hoekschop (corner) wordt toegekend aan de aanvallende partij indien de bal het laatst door een speler van de verdedigende partij is aangeraakt en de bal de achterlijn overschrijdt. Indien een speler van de aanvallende partij de bal over de vijandelijke achterlijn plaatst, wordt het spel hervat met een doelschop. Plaatst een speler de bal over de zijlijn, dan neemt de tegenpartij een inworp.



    Speelsystemen

    In de loop der jaren hebben tal van systemen de tactiek van het spel beheerst. Aanvankelijk gold het orthodoxe systeem (2-3-5-opstelling) met een aanvallende spil en een vijfmansvoorhoede op één lijn. In de jaren twintig vond het stopperspil- of WM-systeem ingang. De opstelling hierin is 3-2-2-3, een symmetrie die door de letters WM (W voor voorhoede en M voor achterhoede) ook tot uitdrukking wordt gebracht. In dit systeem is de stopperspil de derde back. Het WM-systeem maakte eind jaren vijftig plaats voor het 4-2-4-systeem, waarbij vooral de beide spelers op het middenveld voortdurend moeten WM-systeem omschakelen van offensieve naar defensieve spelpatronen en omgekeerd. Het catenaccio (Ital., = grendel) is een Italiaanse vinding en in feite een verdedigende variant van het 4-2-4-systeem. Het catenaccio werd gekenmerkt door een straffe mandekking en, als gevolg, weinig aanvallende impulsen. Het Ajax van Rinus Michels en het Nederlands elftal introduceerden begin jaren zeventig het zgn. totaalvoetbal: een zeer aanvallende speelstijl, waarin alle spelers meer dan één taak kregen toebedeeld ( aanvallen en verdedigen) en niet aan één plaats gebonden zijn. Sedertdien overheerst er in het internationale voetbal niet één bepaald spelsysteem.